Inflatie is een stijging van het algemene prijspeil. Als gevolg daarvan daalt de koopkracht. Deze waardedaling noemt men geldontwaarding. Inflatie is dus niet hetzelfde als geldontwaarding, maar leidt tot geldontwaarding.
Inflatie kan drie oorzaken hebben:
1. Overbesteding: De vraag naar goederen / diensten is groter dan het aanbod. Men wil meer kopen / besteden dan er geproduceerd wordt. Bedrijven zitten aan de grens van hun productiecapaciteit. De aanbieders zullen in zo’n geval hun prijzen verhogen. Bij gelijkblijvende kosten leidt dit tot meer winst voor de bedrijven. Deze vorm van inflatie noemt men bestedingsinflatie of vraaginflatie.
2. Stijging van de productiekosten / kostprijs. Als bijvoorbeeld de olie- en gasprijzen, de lonen of de belastingen toenemen, zullen de ondernemers daar gelijk op reageren. Ze berekenen de gestegen productiekosten door in hun prijzen. De oorzaak van de prijsstijging zit nu niet aan de vraagkant, maar aan de aanbodkant van de economie. Deze vorm van inflatie noemt men kosteninflatie. Een vorm van kosteninflatie is de geïmporteerde inflatie. Deze ontstaat wanneer goederen / grondstoffen die in het buitenland worden gekocht duurder worden.
3. Stijging van de geldhoeveelheid. De geldhoeveelheid om goederen te kopen neemt toe. Bijvoorbeeld doordat consumenten spaargeld opnemen of meer gaan lenen. Als er meer geld beschikbaar is en de hoeveelheid goederen blijft gelijk, dan stijgt de prijs per product. Daardoor daalt de koopkracht per euro. De inflatie die hier het gevolg van is, noemt men monetaire inflatie.
De nadelige gevolgen van inflatie zijn
- Schulden maken wordt voordeliger. Het geld wordt immers minder waard. Mensen gaan meer lenen, omdat de afbetaling van de schulden goedkoper wordt.
- Sparen wordt minder aantrekkelijk, omdat het spaargeld minder waard wordt. Doordat men minder gaat sparen komen er te weinig financiële middelen vrij voor investeringen. Daardoor neemt de productie en de werkgelegenheid af.
- De rente stijgt. Mensen die nog wel willen sparen, willen een hogere rente als compensatie voor de waardedaling van het geld.
- Prijzen stijgen niet in gelijke mate en het prijsverkoop is moeilijk te voorspellen. Dit brengt extra onzekerheid voor het bedrijfsleven met zich mee. Ondernemers worden voorzichtig en kijken liever eerst de kat uit de boom. De ondernemingslust neemt af, en daarmee ook de investeringen, productie en werkgelegenheid.
- Wanneer de prijzen in Nederland sneller stijgen dan in het buitenland, komt de concurrentiepositie van Nederland in gevaar. Dat is slecht voor de export en de werkgelegenheid in Nederland.
- Mensen met een vast inkomen ( bijvoorbeeld gepensioneerden) zien hun koopkracht dalen.
Deflate is een zeldzaam economisch verschijnsel, het is het omgekeerde van inflatie; een daling van het algemene gemiddelde prijspeil met als gevolg een waardestijging van het geld. De koopkracht neemt dan toe. Deflatie is meestal ook geen goede zaak. Een groot nadeel is bijvoorbeeld dat, wanneer de prijzen dalen, de consumenten nog minder gaan uitgeven, omdat ze verwachten dat het mogelijk nog goedkoper gaat worden. Een economische crisis heeft daardoor de neiging zichzelf te versterken. Het enige voordeel van deflatie is dat de concurrentiepositie van Nederland verbetert, althans wanneer de prijsdaling in Nederland groter is dan in het buitenland.
Deflatie ontstaat door de tegenovergestelde redenen van inflatie:
• Onderbesteding: de vraag blijft achter bij het aanbod. Bedrijven kampen met overcapaciteit en laten hun prijzen zakken.
• dalende productiekosten.
In Nederland dreigt soms het gevaar van stagflatie. Dit was bijvoorbeeld midden 2001 het geval. Stagflatie is een samentrekking van de woorden stagnatie en inflatie. Bij stagflatie stokt de economische groei, terwijl de prijzen stijgen. Hét angstbeeld voor Nederland! Hoge inflatie is meestal juist het gevolg van een overhitte economie. Hoge inflatie is echter voor het grootste deel het gevolg van zaken die niets met de overhitting hebben te maken, zoals de landbouwcrises, de BTW verhoging (van 17,5% naar 19% in 2001) en de stiekeme prijsverhogingen door de winkeliers en de horeca bij de omschakeling van de gulden naar de euro per 1 januari 2002.