Een individuele burger die in een supermarkt gaat winkelen, heeft een boodschappenlijstje gemaakt van wat hij allemaal nodig denkt te hebben. Voordat hij gaat kopen moet hij eerst in zijn portemonnee kijken, hoeveel geld hij kan uitgeven. Meestal zal men meer willen kopen dan waar men geld voor heeft.
De middelen, dat wil zeggen de beperkte hoeveelheid geld die de individuele burger tot zijn beschikking heeft, zijn beperkt maar de behoeften zijn onbeperkt. Er zal dus een keuze gemaakt moeten worden. De individuele burger kiest de boodschappen die het best bij zijn behoeften aansluiten.
Iedereen heeft met zulke keuzeproblemen te maken. Neem bijvoorbeeld een belangrijk economisch vraagstuk als het milieu. Het is best mogelijk om de vervuiling flink terug te dringen. Maar dat is een keuze die alle burgers samen moeten maken. Één van de gevolgen zal dan zijn dat veel producten duurder zullen worden, en dat we dus minder kunnen kopen.
Een ander belangrijk economisch onderwerp is de werkloosheid. Deze zou gedeeltelijk kunnen verdwijnen als men met een lager inkomen genoegen zou nemen. Maar ook in dat geval kunnen mensen minder besteden. Alles tegelijk kan niet, dat blijkt steeds opnieuw.
Ook bedrijven moeten met hun beperkte middelen een zo goed mogelijk resultaat behalen. Hun doel is winst maken en daarvoor moeten ze de kosten beperken. De beperkte middelen van de ondernemer bestaan dus uit de beschikbare hoeveelheid geld voor het betalen van lonen, grondstoffen, energie en de andere kosten. Wanneer de onderneming zuinig omspringt met deze uitgaven, zal het bedrijfsresultaat beter worden. Maar de onderneming moet kiezen welke producten er gemaakt gaan worden, en met welke mensen en machines dat gaat gebeuren.
Ook de overheid maakt in dit opzicht keuzes. Door meer geld voor onderwijs uit te geven blijft er minder geld voor defensie over.
Zowel de individuele burger, alle burgers samen, bedrijven als de overheid nemen dus voortdurend dit soort beslissingen, die we simpelweg economisch handelen kunnen noemen; met bepaalde, beperkte middelen een zo goed mogelijk resultaat behalen. Er is dus een constante spanning tussen de onbeperkte behoeften en de beperkte middelen om in die behoeften te voorzien. Economen noemen deze spanning schaarste.